Dutch Verbs with Fixed Prepositions: wachten op, denken aan — A2 Dutch Grammar Course, Lesson 16 | My Dutch Journal

Dutch Verbs with Fixed Prepositions: wachten op, denken aan | A2 Dutch, Lesson 16

Chef Smakelijk — the My Dutch Journal mascot

Welcome to lesson sixteen of the A2 Dutch Grammar Course. In this lesson you will learn about werkwoorden met een vast voorzetsel — verbs with a fixed preposition. Many Dutch verbs are always followed by the same preposition. Wachten op — to wait for. Luisteren naar — to listen to. Houden van — to love. The preposition is part of the verb combination, and it must be memorized. There are no grammar rules that tell you which preposition goes with which verb. In this lesson you will learn the most important combinations, organized by preposition.

Leer de combinaties uit je hoofd

Many Dutch verbs form a fixed combination with a preposition, and you usually learn these combinations by heart. There is no easy rule to predict the preposition — you learn each verb and its preposition together as one unit. Some verbs can appear with more than one preposition, but the meaning often changes, so the combination must be memorized. Ik wacht op de bus — I wait for the bus. The preposition is op. You cannot say wacht de bus or wacht voor de bus. Ze luistert naar muziek — she listens to music. The preposition is naar. Hij houdt van chocolade — he loves chocolate. The preposition is van. In English the preposition is different — wait for, listen to, love — but in Dutch each verb has its own fixed preposition that you learn along with the verb.

Ik WACHT de bus. (wrong) Ik WACHT OP de bus. (correct)
Ze LUISTERT muziek. (wrong) Ze LUISTERT NAAR muziek. (correct)
Hij HOUDT chocolade. (wrong) Hij HOUDT VAN chocolade. (correct)

Werkwoorden met aan, in, op

Let's start with the prepositions aan, in, and op. Denken aan — to think about: Ik denk aan mijn familie. — I think about my family. Werken aan — to work on: Ze werkt aan een nieuw project. — She is working on a new project. Wennen aan — to get used to: Hij went aan het nieuwe werk. — He is getting used to the new job. Interesse hebben in — to be interested in: Ze heeft interesse in kunst. — She is interested in art. Zin hebben in — to feel like something: Heb je zin in koffie? — Do you feel like a coffee? And wachten op — to wait for: We wachten op de bus. — We are waiting for the bus.

Werkwoord + voorzetsel Betekenis Voorbeeld
aan denken aan to think about Ik denk aan mijn familie.
aan werken aan to work on Ze werkt aan een nieuw project.
aan wennen aan to get used to Hij went aan het nieuwe werk.
aan gewend zijn aan to be used to Ik ben gewend aan de kou.
in interesse hebben in to be interested in Ze heeft interesse in kunst.
in zin hebben in to feel like Heb je zin in koffie?
op wachten op to wait for We wachten op de bus.
op drukken op to press Druk op de knop.

Werkwoorden met met en over

Now let's look at met and over. Beginnen met — to start doing something: Ze beginnen met het huiswerk. — They start with the homework. Stoppen met — to stop doing something: Hij stopt met roken. — He is stopping smoking. Verdergaan met — to continue with: Ga maar verder met je werk. — Just continue with your work. Helpen met — to help with: Kun je me helpen met dit probleem? — Can you help me with this problem? For over: klagen over — to complain about: Hij klaagt over het weer. — He complains about the weather. Praten over — to talk about: We praten over het nieuws. — We talk about the news. Zich zorgen maken over — to worry about: Ze maakt zich zorgen over haar kind. — She worries about her child.

Werkwoord + voorzetsel Betekenis Voorbeeld
met beginnen met to start (doing) Ze beginnen met het huiswerk.
met stoppen met to stop (doing) Hij stopt met roken.
met verdergaan met to continue with Ga maar verder met je werk.
met omgaan met to deal with Ze kan goed omgaan met kinderen.
met helpen met to help with Kun je me helpen met dit probleem?
over klagen over to complain about Hij klaagt over het weer.
over praten over to talk about We praten over het nieuws.
over nadenken over to think about Ik denk na over jouw vraag.
over zich zorgen maken over to worry about Ze maakt zich zorgen over haar kind.

Werkwoorden met naar, van, voor, uit

Now the prepositions naar, van, voor, and uit. Kijken naar — to watch or look at: Ze kijkt naar de televisie. Luisteren naar — to listen to: Hij luistert naar muziek. Benieuwd zijn naar — to be curious about: Ik ben benieuwd naar de uitslag. — I am curious about the result. Houden van — to love or like: Ik houd van chocolade. — I love chocolate. Genieten van — to enjoy: Ze geniet van de vakantie. — She is enjoying the holiday. Bedanken voor — to thank for: Ik bedank je voor je hulp. — I thank you for your help. Zorgen voor — to take care of: Ze zorgt voor haar moeder. — She takes care of her mother. Sparen voor — to save up for: Hij spaart voor een fiets. — He is saving up for a bike. And finally komen uit — to come from: Ze komt uit Spanje. — She comes from Spain.

Werkwoord + voorzetsel Betekenis Voorbeeld
naar kijken naar to watch / look at Ze kijkt naar de televisie.
naar luisteren naar to listen to Hij luistert naar muziek.
naar benieuwd zijn naar to be curious about Ik ben benieuwd naar de uitslag.
van houden van to love / like Ik houd van chocolade.
van genieten van to enjoy Ze geniet van de vakantie.
van dromen van to dream of Hij droomt van een nieuwe auto.
voor bedanken voor to thank for Ik bedank je voor je hulp.
voor zorgen voor to take care of Ze zorgt voor haar moeder.
voor sparen voor to save up for Hij spaart voor een fiets.
uit komen uit to come from Ze komt uit Spanje.

Wat heb je geleerd?

Let's review. Verbs with a fixed preposition are one of those things in Dutch that simply must be memorized — there are no rules to help you predict the preposition. A few key ones to remember: wachten op — wait for. Luisteren naar — listen to. Beginnen met and stoppen met — start and stop doing something. Houden van — love or like. Zorgen voor — take care of. Denken aan — think about. Klagen over — complain about. Komen uit — come from. Learn these combinations as whole units — verb plus preposition together.

Practice What You Learned

Reading about grammar is step one — using it is what makes it stick. In My Dutch Journal Academy you can watch the full video of this lesson, do interactive exercises that check your answers instantly, and practise all the vocabulary from the A2 course.

Follow us on Instagram for bite-sized Dutch grammar every week.

Continue the course

← Previous lesson: Om…te + Infinitive: Expressing Purpose in Dutch

Next lesson: Er is and Er zijn: There Is and There Are in Dutch

Veel succes en tot de volgende les! (Good luck and see you in the next lesson!)

Back to blog

Contact form